AMDG 125 jaar in Voetnoten

Een document van de hand van Ben Holtkamp, de dirigent/organist van het AMDG over AMDG in Voetnoten, het blad van het Oudheidkundig Genootschap Voet van Oudheusden.

Dit nummer is verschenen in november 2013. Het artikel beschrijf de ontwikkeling van de kerkmuziek in het algemenen en in het bijzonder voor Culemborg en AMDG.

 

ZINGT SPEELT TER ERE VAN DEZ’ MAGED [1]

 

 

Het kerkkoor AMDG van de R.K.Barbarakerk te Culemborg bestaat in 2013 125 jaar. Het is daarmee het oudste koor van Culemborg. De afkorting A.M.D.G. staat voor Ad Majorem Dei Gloriam en dat betekent: Tot Meerdere Eer en Glorie van God. Dit was een geliefde uitdrukking van de paters Jezuïeten. Aangezien de Jezuïeten in 1888, toen het koor werd opgericht, de scepter zwaaiden in katholiek Culemborg is deze naam dus heel begrijpelijk. In dit artikel zullen we een kijkje nemen in de geschiedenis van dit koor tegen de achtergrond van de (kerk)muzikale ontwikkeling van de afgelopen eeuwen, toegespitst op de situatie in Culemborg.  

 

KERKMUZIEK DE EEUWEN DOOR

De oudste  kerkmuziek die wij kennen is het gregoriaans. Deze muziek is genoemd naar paus Gregorius de Grote (ca. 540–604). Gregorius heeft het gregoriaans zelf niet gecomponeerd, maar hij heeft zich er wel nadrukkelijk mee bemoeid. Het gregoriaans kent Joodse, Oosterse en Griekse invloeden. Het is  eenstemmig, het werd dus niet begeleid. Meerstemmigheid bestond trouwens  nog niet in de tijd van Gregorius. Het samen laten klinken van twee of meer verschillende  tonen was nog onbekend. Je kunt je dat tegenwoordig bijna niet voorstellen!

Het gregoriaans ontwikkelde zich gelijktijdig met de liturgie, waar het een onderdeel van was. Deze ontwikkeling ging langzaam maar zeker door tot aan het Concilie van Trente (1545–1563). Na dit concilie veranderde er liturgisch in feite niet veel meer tot aan het Tweede Vaticaans Concilie (1963–1967). Een tamelijk stabiele periode van vier eeuwen dus.  De kerkmuziek daarentegen ging wel met zijn tijd mee. De eerste meestemmigheid ontstond waarschijnlijk aan het eind van negende eeuw. Gedurende de eeuwen die volgden ontwikkelde de meerstemmigheid zich. Het hoogtepunt van deze ontwikkeling werd in de renaissance bereikt met componisten als o.a. Josquin des Prez, Palestrina, Sweelinck e.a.  Vaak konden talentvolle musici de verleiding niet weerstaan om zich in Italië (Rome) in de kerkmuziek verder te bekwamen. De eerder genoemde Josquin des Prez [2] werd geboren in de buurt van het Belgische Kamerik  en zou van oorsprong Joosken Vanderweyden geheten hebben. Heel zeker is dit niet. Hij vertrok uiteindelijk ook in zuidelijke richting om in Milaan en Rome te studeren en te werken. Zo zijn er nog meer voorbeelden. De kerk heeft gedurende de eeuwen van haar bestaan het gregoriaans als dé kerkmuziek bij uitstek beschouwd. latere (meestemmige) muziek vanaf de renaissance tot aan de romantiek werd door de kerk weliswaar  toegestaan, maar eigenlijk nooit officieel erkend. Na het concilie van Trente, met name in de achttiende en negentiende eeuw raakte het gregoriaans in verval. Het werd in toenemende mate geweld aangedaan. Het toevoegen van een tweede stem aan het gregoriaans was geen zeldzaamheid. Het werd ook steeds vaker begeleid door het orgel, het was dan maar te hopen dat dit enigszins stijlzuiver gebeurde.

Ook kwam het voor dat profane muziek de kerk werd binnengehaald: in menig kerk hebben operafragmenten, met aangepaste vrome teksten, de oren der kerkgangers gestreeld! In de achttiende en negentiende eeuw ontstond er een praktijk, met name in stadskerken, waarbij missen door een vast orkest, compleet met pauken, werden begeleid. Door deze praktijken kwamen ook steeds meer vrouwen “op het koor”, terwijl dat eigenlijk niet toegestaan was. Deze wildgroei beviel de kerkleiding niet. Door het Motu Properio van paus Pius X van 1903 werd aan deze ontwikkelingen een einde gemaakt. In sommige parochies waren deze praktijken al eerder verboden. De monniken van Solesmes in Frankrijk waren inmiddels al begonnen met de restauratie van het gregoriaans. Door Pius X werden de nieuwe uitgaven van deze monniken als officiële edities aanvaard. De orkesten, met pauken en al, werden van het koor verbannen. Vrouwen en meisjes werd het weer verboden op het oxaal te komen. Het orgel werd in ere hersteld. Priesters werden op de seminaries in het vervolg veel beter onderwezen in de kerkmuziek. Er werden cursussen gregoriaans aangeboden voor kerkkoren. Kerkkoren waren overigens altijd mannenkoren. Gemengde koren konden alleen gevormd worden door aan het  mannenkoor een jongenskoor toe te voegen [3]. Veel (grotere) parochies beschikten inderdaad over een jongenskoor. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft wel het een en ander op zijn kop gezet. De belangrijkste verandering was de invoering van de volkstaal in de liturgie. De laatste tijd doet zich het verschijnsel voor dat er voor sommige behoudende groeperingen een uitzondering wordt gemaakt met betrekking tot de regels van na Vaticanum II. Zo is bijvoorbeeld in het centrum van Utrecht de Willibrorduskerk weer teruggekeerd binnen de gelederen van het aartsbisdom, nadat men daar 40 jaar lang o.l.v. pater Winand Kotte een behoudende koers heeft kunnen varen tegen de wil van de bisschop. Deze rehabilitatie was mogelijk, nadat sommige oude gebruiken weer toegestaan werden.

 

DE SITUATIE IN CULEMBORG

Wat Culemborg betreft beperken we ons tot de oude Barbarakerk. In de jaren dat de oude Barbarakerk gesticht werd in de veertiende eeuw, werd daar zeer zeker gregoriaans gezongen. In 1422 werd het Barbarakapittel gesticht met acht kanunniken. Deze kanunniken waren van goede komaf, hadden dientengevolge wel wat geld en woonden in de nabijheid van de kerk. Ze waren o.a. belast met de liturgie. Enkele malen per dag kon men hen vinden in het koor de Barbarakerk. Zij zongen daar uiteraard gregoriaans. De kanunniken werden bijgestaan door jongens van de latijnse school, die ook onderricht werden in de kerkzang. Vier van deze jongens, de z.g. “choralen” werden extra onderwezen en fungeerden als vaste zangertjes van de Barbarakerk [4]. De aanwezigheid van deze choralen maakte het mogelijk om meerstemmig te zingen. Deze gang van zaken duurde tot 1578. In dat jaar werd de kerk aan de katholieken onttrokken. De kerk beschikte in 1429 al over een orgel, maar in die tijd werd de koorzang nooit begeleid door een orgel. Wel werden de strofen of verzen van de zang soms afgewisseld door orgelspel. (alternatimpraktijk)

 

STATIE IN DE PAPENHOEK

Met de stichting in 1628 van een statie (schuilkerk) achter de huizen van  de Papenhoek beschikten de Culemborgse katholieken weer over een eigen kerk. Vijftig jaar lang had men zich moeten behelpen met kerkdiensten in woonhuizen of schuren. In ieder geval zong men toen gregoriaans, omdat dat nu eenmaal de officiële zang van de kerk was. Pas na het tweede Vaticaans Concilie, in 1967, was het gregoriaans niet meer verplicht. In het begin van de zeventiende eeuw ging men steeds vaker de zang met orgel begeleiden, ook het gregoriaans. In de statie aan de Papenhoek is een orgel aanwezig geweest, al is niet bekend wie het gemaakt heeft en wanneer. Wel weten we dat jonkheer Emanuel Frederick van Montfoort aan het einde van de zeventiende eeuw zeer waarschijnlijk organist was van de roomse statie. Opmerkelijk is dat hij behalve  houtvester van graaf Georg Frederick van Waldeck Pyrmont, die Luthers was, ook een verdienstelijk orgelmaker was. Hij bouwde in 1696 een nieuw orgel voor de Lutherse kerk in de Achterstraat. Het is dus goed mogelijk dat het orgel van de roomse statie in de Papenhoek ook van zijn hand was. Van Montfoort was ook schepen van Culemborg. Dit laatste toont aan dat katholieken in die tijd wel degelijk tot op belangrijke posten door konden dringen. Op 26 januari 1697 werd hij in de oude Barbarakerk begraven. Gedurende de zeventiende en achttiende eeuw zal de katholieke  kerkmuziek in Culemborg de zelfde ontwikkeling hebben doorgemaakt als elders het geval was: verval van het gregoriaans, het binnenhalen van profane muziek en het zingen van devotieliederen. (met name vanaf 1800)

 

WATERSTAATSKERK

In 1820 verschijnt er een koorreglement. Vermoedelijk zal de komst van de twee roemruchte paters De Hasque en Wolff in 1817 hieraan debet zijn geweest. Zij bliezen de parochie nieuw leven in. Dat was hard nodig, omdat twee eeuwen onderdrukking als gevolg van de reformatie hun sporen hadden nagelaten. De nieuwe kerk was niet lang daarvoor in gebruik genomen en nu was blijkbaar het zangkoor aan de beurt. In artikel 1 van het reglement staat het volgende te lezen:

 

“Het ambt of de bediening van zanger onmiddellijk volgende op dat van priesters of geweide Dienaren der Kerke Gods, zoo is het eene vereischte dat alle de leden van het Choor zich geene gewoonte maken van vloeken, zweeren, dronkenschap, vechterijen enz. zullende diegeenen welke zich aan soortgelijke wandaden schuldig mogten maken, en zich na herhaalde vermaningen tot beterschap door den tijdelijken pastoor, niet gebeterd hebben, als lid van het choor bedankt worden, en op het zelve niet mogen verschijnen of toegelaten worden.”

 

Koorzangers in die dagen, alleen mannen, waren van goede afkomst. Ze moesten kunnen lezen en schrijven, wat toen zeker niet vanzelfsprekend was. Bovendien moesten ze om lid te worden twee gulden storten in de koorkas en twaalf stuivers betalen aan de orgeltrapper. In die tijd was dat een behoorlijk bedrag. Dit geld kregen ze overigens nimmer terug. In het reglement wordt tamelijk nauwkeurig beschreven waar men zich aan te houden had. Er is ook veel doorgehaald en veranderd, wat er op duidt dat niet alle bepalingen even praktisch waren. Het koor had een bestuur, “directie” genaamd, bestaande uit de pastoor en een kerkmeester. Later werden daar de eerste voorzanger, de eerste organist en de eerste secretaris aan toegevoegd. Er was ook een “choormeester”, deze had geen zitting in het bestuur, maar handelde in overleg met de secretaris de spoedeisende gevallen af. De secretaris was tevens penningmeester. Inkomsten kwamen o.m. van 1e klas uitvaarten, plaatsengeld en boetes. Eénmaal per jaar, op de zondag vóór Sint Caecilia (22 novenber) werd het geld verdeeld onder de leden. Het koor repeteerde in de zomer slechts eenmaal per maand en in de winter elke week. Je vraagt je dan toch  af hoe de kwaliteit van de koorzang was, met name ‘s zomers!

 

DE OPRICHTING VAN AMDG

Met de meeste katholieke kerkkoren is en was het gewoonlijk halen en brengen: Perioden van bloei werden afgewisseld door mindere tijden. Tegen de tijd dat de nieuwe neogotische kerk in 1886 gereed kwam  bevond het koor zich kennelijk in een dip. In de Culemborgse Courant van begin december stond het namelijk het volgende vermeld:

 

Gedurende de plechtige Hoogmis werd onder directie van den heer Olyslager de liturgische kerkmuziek met goed gevolg uitgevoerd door de Zangvereniging van de  Sociëteit Sint Joseph, die voortaan als zangkoor blijft fungeren.”

 

We kunnen hieruit afleiden, dat het eigenlijke kerkkoor niet goed genoeg was voor deze plechtigheid en dat daarom het koor van de Sociëteit van stal gehaald werd. Het is aannemelijk dat er een aantal heren lid waren van beide koren, zodat deze hele kwestie ook weer niet al te ingrijpend is geweest. Het duurde overigens nog anderhalf jaar alvorens AMDG echt opgericht werd. Dat de oprichting in 1888 plaatsvond weten we omdat in het repetitielokaal jarenlang een afbeelding hing die herinnerde aan het 60 jarig bestaan van AMDG in 1948 [5]. A.J.J.Olijslager werd per 1 juli 1888 aangesteld als dirigent/organist van de parochie. Deze datum zal dan vermoedelijk ook wel het begin zijn geweest van kerkkoor AMDG. Het koor had veel werk. Behalve de hoogmis op zondag werd het koor ook geacht te zingen tijdens het Lof. Enkele keren per week was er in de vroege avond een Lof. Tijdens zo’n lof werd het allerheiligste (een grote hostie) door de priester uitgesteld in een fraaie monstrans. De aanwezige parochianen aanbaden dit allerheiligste. In die tijd bestond nog de z.g. zondagsplicht: iedere katholiek was verplicht op zondag naar de kerk te gaan. Er waren vaak wel vier of vijf missen. Eén daarvan was de hoogmis, daar werd door het koor gezongen. De andere missen waren “stil”. Geen zang dus. Deze missen duurden niet lang en werden daarom druk bezocht. Een goede katholiek ging natuurlijk naar de hoogmis en ook naar het lof. Het koor zong ook bij uitvaarten. Aanvankelijk werden alleen de uitvaarten van gegoede parochianen gezongen. Arme mensen die geen uitvaart konden betalen kregen een “stille” uitvaart. De Culemborgse parochie was groot, dientengevolge waren er dus ook veel uitvaarten. De koorzangers onderbraken dan hun werk, om te komen zingen. Gelukkig worden tegenwoordig nagenoeg alle uitvaarten gezongen. AMDG zong altijd gregoriaans. Dit was immers verplicht. Er waren twee belangrijke boeken. Het Liber Usualis en het Graduale. In deze boeken stonden vrijwel alle voorgeschreven gezangen. Gregoriaans is niet eenvoudig, daarom werden er af en toe cursussen georganiseerd voor koorzangers om zich in deze prachtige zangkunst te bekwamen. Soms ging het niet goed met de uitvoering van het gregoriaans. Het koor werd dan door de pastoor berispt. In 1924 was de uitbrander van de pastoor zelfs de aanleiding om het Ceciliafeest te annuleren. Dat was veelbetekenend! AMDG zong uiteraard ook meerstemmig. Dit deed het graag. Met name in het begin van de twintigste eeuw werd er zeer veel gecomponeerd voor kerkkoren. Missen voor mannenkoor met orgelbegeleiding hadden de voorkeur. Deze missen noemde men : “muziekmissen”. Alsof of het gregoriaans en overige a capella zang geen muziek was! Het gebeurde ook wel eens dat een aantal heren zich tijdens de preek terugtrok in de torenkamer om te kaarten of zelfs te roken. Ze zorgden er wel voor dat ze bij het Credo weer present waren. Als de pastoor daar achter kwam volgde een ernstige reprimande! Gelukkig deden niet alle zangers hier aan mee. Het repeteren gebeurde na 1888 wekelijks. Er werd gerepeteerd in de kerk op het oxaal, ook als het steenkoud was in de winter. Een tijd lang repeteerde het koor in de armenkamer, die tegenwoordig als dagkapel gebruikt wordt. Ook daar kon het vinnig koud zijn. Een bepaalde periode repeteerde het koor bij de zusters in Mariakroon. De laatste 40 jaar repeteert het koor in de bij-sacristie.

 

 

 

TWEEDE VATICAANS CONCILIE

Als gevolg van het Tweede Vaticaans Concilie werd het ook mogelijk voor vrouwen om in het kerkkoor te zingen. Er moest wel toestemming worden gevraagd aan kardinaal Alfrink. Dit was geen probleem. Voor de heren van AMDG werd het te zwaar om behalve de zondagse diensten, de talrijke uitvaarten en huwelijken te zingen. Daarom was een dameskoor voor huwelijken en uitvaarten een uitkomst. Dit koor startte op 1 januari 1963 en bestaat derhalve dit jaar 50 jaar! Spoedig gingen deze dames ook meezingen met de heren van AMDG, eerst af en toe, maar in 1971 werd  het dameskoor een officieel onderdeel van  AMDG. Het was nu mogelijk om muziek uit te voeren voor gemengd koor van componisten als Mozart, Haydn, Bruckner, e.a. AMDG deed dit met groot enthousiasme. Het concilie had ook als gevolg dat het koor moest verhuizen: Vrijwel alle kerkkoren zongen vroeger op het oxaal, achter in de kerk boven de ingang. Daar stond ook het orgel. Het orgel van de Barbarakerk was in 1971 bijna onbespeelbaar geworden en was daarom aan restauratie toe. Actie was dus gewenst. Pastoor Norbert Slegers heeft toen op doortastende wijze het orgel laten restaureren en meteen beneden in het priesterkoor laten plaatsen. het koor moest dus naar beneden verhuizen. Dit alles geheel in overeenstemming met de uitkomsten van het concilie. Dit werd niet door alle koorleden in dank afgenomen. Na enige tijd raakte men er aan gewend en nu is de plaats voor in de kerk vanzelfsprekend.

 

JONGENSKOOR

Twee maal is er een poging gedaan om een jongenskoor op te richten. Rond 1922 werd er door dirigent L.Wüst een jongenskoor opgericht. De jongens zongen af en toe mee met de heren van AMDG. In de bibliotheek van het koor is nog wel wat muziek te vinden uit die tijd. Hoe succesvol dit jongenskoor was is niet bekend. Het is ook niet precies bekend wanneer dit jongenskoor ophield te bestaan. Na 1960 kwam er weer een jongenskoor, opgericht door pater Pannekeet. Het jongenskoor van pater Pannekeet zong behalve latijnse gezangen ook al nederlandstalige muziek. Dit laatste jongenskoor bestond niet lang. Enkele jaren later kwam  er een kinderkoor, jongens en meisjes, dat voornamelijk los van AMDG opereerde.

 

 

BIJZONDERE FENOMENEN

Enkele bijzondere fenomenen mogen niet onvermeld blijven. Het zijn zaken die bij alle katholieke kerkkoren bekend waren: de dirigent werd steevast directeur genoemd. Kerkkoren hadden eigenlijk geen voorzitter. De pastoor vervulde deze functie en werd president genoemd. Tot op heden is dit nog het geval bij AMDG. Wel is er nu ook een (leken)voorzitter. Koorzangers konden goed feesten. Het jaarlijkse Ceciliafeest  was een begrip. De H. Cecilia is de patrones van de (kerk)muziek. Haar feestdag is op 22 november. Rond die datum is er altijd een ledenvergadering, die eindigt met “drankjes en hapjes”. In de begintijd van AMDG werd het feest gehouden in hotel Vulto, tegenover de kerk. ’s Morgens vroeg was er een gezongen mis met een ontbijt en ’s avonds feest bij Vulto. De twee-minuten-speech was een begrip, alhoewel nergens vermeld staat wat dat precies inhield. Er was volop drank en verder werden er om 23.30 uur “warme worst, gehakt en croquetten” geserveerd. Gedurende de hele avond stond de zaal blauw van de rook want veel zangers rookten gaarne een goede sigaar. Dat deden ze trouwens ook tijdens de repetitie. Pas in de jaren tachtig kwam aan deze gewoonte een eind. Ook koorreisjes waren zeer populair. Soms gingen de zangers een heel weekend weg. Men ging o.a. naar Zuid-Limburg, Luik, Luxemburg, Coblenz voor een Rijnreis en Brussel. In 1953 reisden de zangers af naar Rosfort in Luxemburg. Men zou daar op zondag in de parochiekerk de hoogmis zingen. Op zaterdagavond hadden de zangers echter te diep in het glaasje gekeken, met als gevolg een bedroevende afgang op zondag! Op zondag 24 augustus 1958 maakten de heren een reisje naar Arnhem, vervolgens via de Veluwe naar Amsterdam voor een rondvaart, diner en een voorstelling van Johan Kaart. Daarna een afzakkertje. De heren vertrokken ’s morgens om 8 uur en waren om 2 uur in de nacht weer terug. Het koor ging met enige regelmaat zingen in een andere parochie. Dit was een populaire bezigheid. Vaak werd er meteen een gezellige dag aan verbonden. Het koor van die andere parochie kwam dan in Culemborg zingen. Een uitwisseling dus. De uitgebreide koorreisjes behoren tot het verleden, maar het zingen in andere kerken komt nog wel eens voor.

 

CONCURRENTIE

AMDG is tot tweemaal toe geconfronteerd met concurrentie. In 1967 werd voor de houten noodkerk in Terweyde  een klein koor opgericht. Het was ooit de bedoeling dat er in Terweyde en de Voorkoop een nieuwe parochie zou komen. Deze parochie zou Sint Jan de Doper als patroon krijgen, een soort vervolg op de Sint-Janskerk die tot 1826 in de binnenstad te vinden was. In het parochiearchief is zelfs een ontwerptekening aanwezig van deze eventuele kerk van de hand van architect Theo Ausems. De parochie en de bijbehorende kerk  zijn er echter nooit gekomen. De jaren door heeft AMDG een zekere  haatliefde verhouding gehad met het Sint-Janskoor. Er waren altijd wel wat wrijvingen. Tegenwoordig verloopt de samenwerking een stuk beter. In die zelfde tijd werd er ook nog een jongerenkoor opgericht, die jongerenvieringen, z.g. beatmissen,  ging verzorgen. AMDG had daar eigenlijk geen last van, maar toch werd er wel met argusogen gekeken naar het kerkbezoek bij deze vieringen, want daaraan kon je immers de populariteit aflezen van het nieuwe koor. Het jongerenkoor scoorde wat dat betreft goed, maar is voor AMDG nooit echt een bedreiging geweest.

 

DE TIEN GEBODEN

De katholieke kerk kende naast de bekende tien geboden ook nog vijf geboden, die niet uit de bijbel afkomstig waren: de Vijf Geboden van de Heilige kerk. Deze vijf geboden waren bedoeld om de parochianen te herinneren aan hun kerkelijke plichten. Voor koorzangers werd daar in het begin van de vorige eeuw een variant op gemaakt:

 

1      Wees een man van geloof en gebed.
2      Spreek de taal der kerk nauwkeurig uit en tracht ze te verstaan.
3      Heb liefde voor het gregoriaansch en leer het grondig.
4      Heb grote zorg voor de korte antwoorden.
5      Zing alleen goedgekeurde muziek.
6      Zing niet wat boven uw krachten gaat en niet is voorbereid.
7      Let op goed stemgebruik.
8      Zing om te stichten niet om te schitteren, zoek geen solo’s.
9      Verzuim geen enkele repetitie, wees niet lastig voor den directeur.
10     Bevorder de kerkelijke volkszang.

 1      Bid als ge niet zingt.
2      Loop niet rond.
3      Gebruik het misboek.
4      Kom niet te laat.
5      Geef u op als lid van den “bond voor retraiten van kerkzangers”.

 

 

 

ORGANISTEN EN DIRIGENTEN

Dirigent

1888-1917                   A.J.J.M.Olijslager. (tevens organist)
1917-1919                   Kapelaan Koelman
1919-1922                   kapelaan Stoverinck
1922-1930                   L.Wüst
1930-1932                   A.Benda
1932-1940                   meester Herscheid
1940-1965                   J.H.H. (Hannes) van  Veen
1965-1968                   Leo van Weerde
1968-1974                   Laurens Krouwel
1974-1974                   Leo van Weerde
1974-1981                    Ben Holtkamp
1981-1993                    Anthony Zielhorst
1993-1997                   Peter Elbertse
1997-2003                  Paul Bocken
2003-heden                Ben Holtkamp (tevens organist)

 

Organist

1888-1924                   A.J.J.M.Olijslager (tot 1917 tevens dirigent)
1924-1972                   A.Benda
1972-1981                   Anthony Zielhorst
1981-heden                 Ben Holtkamp (vanaf 2003 tevens dirigent)

 

TOEKOMST

De secularisatie in Nederland slaat behoorlijk om zich heen, met als gevolg een teruglopend kerkbezoek. Uiteraard zijn de gevolgen van dit verschijnsel ook voelbaar bij AMDG. Het ledenaantal daalt en een toenemende  vergrijzing van het ledenbestand is een feit. Niettemin is het koor nog springlevend. Nog steeds is het in staat om af en toe een klinkende prestatie te leveren. Wat de toekomst brengen moge….we weten het niet. In ieder geval zal AMDG, zolang het gegeven is, enthousiast verder gaan.

 

BRONNEN

Geschiedenis van de katholieke kerkmuziek.    Drs. J.A.Bank.   Amsterdam 1947.

 AMDG 110 jaar. 1888 – 1998     Ben Holtkamp.     Culemborg  1998.

Ach Lieve Tijd. Dertien eeuwen utrecht en de Utrechters. Div. auteurs.     Utrecht 1984.

De Latijnse School te Culemborg. Dr. H.W.Fortgens en mr. P.J.W.Beltjes.     Vereniging Gelre 1953.


[1] Er bestaat een eeuwenoud lied over Sint Caecilia, de patrones van de kerkmuziek, waarvan het refrein luidt: “Komt, speelt ter ere van dez’ maged. La sol fa mi re ut, fa sol la, Caecilia”.

[2] Lees de roman “Het motet voor de kardinaal” van Theun de Vries. Deze roman gaat over Josquin des Prez.

[3] In feite is hier nog geen sprake van gemengde koren, omdat het vrouwelijk geslacht ontbreekt!

[4] Ter vergelijking: de dom van Utrecht had veertig kanunniken en zestien choralen.

[5] In 1988 bestond het koor honderd jaar. Men had dit niet opgemerkt en daarom is het eeuwfeest niet gevierd! Ter compensatie werd in 1998 het 110 jarig bestaan wel gevierd.